Naar duurzame palmolie? Een controversieel verhaal

De afgelopen decennia is palmolie gestaag opgeklommen tot de belangrijkste plantaardige olie wereldwijd. Deze evolutie heeft geleid tot grote ongerustheid bij artsen. Minstens even groot is de ongerustheid bij ngo’s en milieu-activisten: om ruimte te maken voor palmolieplantages wordt al jarenlang aan een verschrikkelijk tempo tropisch bos gekapt. Is een duurzame teelt van het oranje goud mogelijk?

 
Les fruits du palmier à huile © World Bank Photo Collection
 
Succesverhaal
Palmolie wordt gewonnen uit het vruchtvlees van oliepalmvruchten. Vlak voor de raffinage heeft het een feloranje kleur, vandaar de bijnaam. De reden voor het gigantisch succes van palmolie moet niet ver gezocht worden. De productiviteit per hectare ligt vele malen hoger dan bij andere plantaardige oliën. In vergelijking met soja, koolzaad of andere alternatieven heb je dus heel wat minder grond nodig. Bovendien is palmolie bestand tegen hoge temperaturen en geeft het voedingsmiddelen een zachte smaak, waardoor het een zeer interessant ingrediënt is voor de voedingsindustrie.
 
Het resultaat zie je in de supermarkt: een enorm aantal producten, van voeding tot cosmetica, bevat palmolie. Voorlopig staat dit nog niet op het etiket, maar in Europa zal dit vanaf december 2014 veranderen. De huidige algemene term ‘plantaardige olie’ moet dan specifieker, een wijziging die vooral is ingegeven door het gezondheidsargument. Sinds oktober 2013 raadt de Belgische Hoge Gezondheidsraad aan om het gebruik van palmolie te beperken wegens te veel verzadigde vetzuren. Desondanks is palmolie intussen big business geworden. De productie situeert zich grotendeels in twee landen, Maleisië en Indonesië, al is ook in Afrika de opmars bezig. Men verwacht de volgende jaren een gestage groei van de vraag, in de eerste plaats omwille van de bevolkingstoename in China en India.
 

Ingepalmd
Vroeger was de hout- en papierindustrie de voornaamste oorzaak voor de ontbossing in Indonesië, vandaag komt die bedenkelijke eer toe aan oliepalmplantages.
De gevolgen zijn catastrofaal. Het regenwoud is immers cruciaal, enerzijds voor het vasthouden van CO², anderzijds als habitat van verschillende planten- en diersoorten die met uitsterven zijn bedreigd. Ook veenmoerassen worden langzaam ‘ingepalmd’. Daarnaast vergt de oliepalmteelt enorme hoeveelheden water, wat in combinatie met meststoffen en pesticiden tot contaminatie en vissterfte leidt. Tot slot is er ook een sociale keerzijde: inheemse woudbewoners moeten wijken en mensenrechten worden op grote schaal geschonden.


Ronde tafel
De problematiek is verre van nieuw. Om tegemoet te komen aan de publieke verontwaardiging werd reeds in 2004 de Round Table for Sustainable Palm Oil (RSPO) opgericht door een aantal planters, producenten, verwerkers, investeerders en ngo’s (waaronder WWF en Oxfam). In 2005 werd een gedragscode met 8 principes en 39 criteria vastgelegd die leidde tot een label voor duurzame palmolie. De eerste lading gecertificeerde olie kwam in 2008 Europa binnengevaren. Kritische stemmen zoals Greenpeace vonden het hele RSPO-verhaal niet meer dan greenwashing, maar het initiatief bleek wel aan te slaan. In 2010 werd in Jakarta het 25.000ste familiale landbouwbedrijf gecertificeerd en ook grote retailers en verwerkers zagen lidmaatschap als een ideale manier om hun bezorgdheid voor het milieu te bewijzen. Kellogg’s, Unilever, Carrefour, Mondelez, Nestlé en co beloofden intussen allemaal voor 100% duurzame palmolie te gaan. Maar zover is het nog lang niet.
 

GreenPalm
Elke planter kan zijn plantage laten controleren en certificeren volgens de RSPO-criteria. Het is verderop in de keten dat het schoentje wringt. De keten van palmolie is zo complex dat het heel moeilijk en vooral heel duur is om duurzaam geproduceerde olie te scheiden van gewone. Omdat RSPO daarop dreigde vast te lopen, ging een van de leden (het Britse olieverwerkende bedrijf AarhusKarlshamn) op zoek naar oplossingen. Dat resulteerde in GreenPalm Certification. Volgens Bob Norman, voorzitter van GreenPalm, is dat de enige manier om geleidelijk de hele palmolie-industrie van binnenuit te veranderen: “Het is belangrijk dat duurzame palmolie niet enkel voorbehouden blijft voor grote bedrijven die een gescheiden verwerking kunnen betalen en dat producenten aangespoord worden om hun productie te verduurzamen.”
 

RSPO certificering
RSPO voorziet in vier niveaus van certificatie:
  • Book and Claim (beheerd door GreenPalm): de planter krijgt een certificaat voor elke ton olie die volgens de RSPO-criteria geteeld is en plaatst die op de virtuele GreenPalm Market. Bedrijven kunnen dit certificaat kopen en hun product als duurzaam labelen (zonder dat de gecertificeerde olie er effectief in zit). De planter kan zijn premie gebruiken om zijn productie verder te verduurzamen.
  • Mass balance: conventionele en duurzame olie kunnen met elkaar vermengd worden.
  • Segregated: de gecertificeerde olie is volledig gescheiden in de hele keten, een garantie dat de palmolie in het product effectief uit gecertificeerde plantages komt.
  • Identity preserved: er is een volledige traceerbaarheid naar de oorspronkelijke plantage.

In 2012 was 72 % van de RSPO-gecertificeerde palmolie verhandeld als Book and Claim.
 

Plantation à Papoea_Indonésie © CIFOR
 

RSPO in het oog van de storm
Dat ngo’s kritisch zouden zijn voor Book and Claim-certificaties, was te verwachten. Maar RSPO had de afgelopen jaren ook andere katten te geselen.
Het regende immers klachten over conflicten en mensenrechtenschendingen in nieuw ontgonnen palmoliegebieden. Belangrijke RSPO-criteria werden regelmatig overtreden, zoals het verbod op ontginning van primair bos met een hoog biodiversiteitsgehalte (high conservation value areas) of de verplichting om plannen voor nieuwe plantages aan te kondigen en de lokale bevolking erbij te betrekken. Zo konden de bulldozers van de Borneo Surya Mining Joaya gewoon hun gang gaan, ondanks een hele reeks klachten. Het RSPO-secretariaat slaagt er zelden in om adequaat te reageren. Het Indonesische Duta Palma, een notoire woudverwoester, is het enige bedrijf met de bedenkelijke eer om in mei 2013 na een jarenlange klachtenstroom uitgesloten te worden van RSPO-lidmaatschap.

Mede onder druk van de aanzwellende kritiek werd binnen RSPO dan ook hevig gedebatteerd over de aanscherping van een aantal criteria en procedures. De nieuwe tekst, goedgekeurd in april 2013, bevat enkele nieuwe criteria, zoals de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen op nieuwe beplantingen en richtlijnen rond ethische handelspraktijken, mensenrechten en het verbannen van gedwongen arbeid. Maar de roep van vele leden, wetenschappers en ngo’s, om het verbod op het kappen van primaire bossen uit te breiden naar secundaire bossen en veengebieden en om het gebruik van schadelijke pesticiden volledig te verbieden, werden niet opgenomen.
 

Palmolie en de klimaatopwarming
In tegenstelling tot palmolieplantages slaan tropische bossen enorme hoeveelheden koolstof op. Wanneer het woud wordt gekapt of in vlammen opgaat, komen die broeikasgassen vrij. Dit geldt nog veel meer voor veenmoerassen. Hoewel zij slechts 3 % van het aardoppervlak beslaan, houden ze enorme hoeveelheden koolstof vast. De vernietiging van de Indonesische veenmoerassen is de belangrijkste oorzaak waarom het land na China en de VS op plaats drie staat voor CO²-uitstoot. Hoewel het in Indonesië verboden is veenmoerassen dieper dan 3 meter te draineren, lapt de industrie deze wet geregeld aan zijn laars.
 
Greenpeace
Het zal niemand verbazen dat Greenpeace in zijn recente rapport Certifying Destruction erg kritisch blijft voor RSPO. An Lambrechts, internationaal politiek coördinator van de campagne voor het Indonesische regenwoud, legt uit: “Greenpeace is nooit RSPO-lid geweest en zal dat ook niet snel worden. Daarvoor zijn de criteria fundamenteel te zwak. Ook bij de recente herziening is er enkel sprake van vrijwillige richtlijnen voor de uitstoot van broeikasgassen en is er geen volledig verbod op de ontginning van veengronden. Bovendien is RSPO-certificatie geen garantie op palmolie zonder boskap. Bedrijven kunnen een RSPO-label krijgen voor één gecertificeerde plantage om zich vervolgens achter dat certificaat te verstoppen en elders gewoon verder te doen. Het concrete plan dat ze moeten voorleggen voor de rest wordt nauwelijks opgevolgd.

In oktober 2012 publiceerde Greenpeace een rating van de duurzaamheidinspanningen van de elf grootste palmolieproducenten ter wereld. Slechts één bedrijf, het Braziliaanse Agropalma, leverde daadwerkelijk inspanningen om regenwouden en veengronden te beschermen. "Wat RSPO in de weegschaal legt, volstaat niet om de link tussen palmolie en ontbossing door te knippen.”

 
WWF
Als een van de mede-oprichters van RSPO volgt WWF een andere strategie. Sabien Leemans van WWF-België: “RSPO is het enige initiatief dat de hele industrie samenbrengt. Omdat het onze ambitie is heel de sector richting duurzame productie te duwen, blijven we rond de tafel zitten. Natuurlijk hadden we meer verwacht van de herziening. Een volledige ban op plantages in veengebieden of op het gebruik van gevaarlijke pesticiden – punten die wij op tafel gelegd hebben – is er niet gekomen. Maar we denken dat de nieuwe criteria, hoewel voorlopig niet overal dwingend, wel de kiemen in zich dragen om veranderingen teweeg te brengen.”

Adam Harrison, onderhandelaar voor WWF-Internationaal vult aan: “Daarom hebben we ook zo aangedrongen op het publiek rapporteren van de uitstootgegevens via een uniform Palm Greenhouse Gas Tool. Op die manier zal duidelijk worden dat het ontginnen van veengebieden de cijfers rood doet kleuren en zullen bedrijven, aangespoord door investeerders, politici of consumenten, inzien dat ze moeten evolueren naar low carbon palm oil. Hetzelfde geldt voor de traceerbaarheid. Nu wordt op grote schaal olie van verschillende bronnen vermengd. Het WWF-voorstel voor een ‘zorgvuldigheidssysteem’  (due diligence) bleek niet haalbaar, maar de verplichting voor raffinaderijen om de oorsprong van olie te registreren is een eerste stap.”

 
Nieuwe coalities
Waar Greenpeace en WWF elkaar wel vinden, is in het aanprijzen van goede voorbeelden. Bedrijven die verder gaan dan RSPO kunnen immers de eerste dominostenen zijn op weg naar een duurzame palmolieproductie. Zo ontstond de Palm Oil Innovation Group (POIG), een coalitie van ngo’s met Agropalma (Brazilië), New Britain Palm Oil Limited (Brits, met plantages in Papoea-Nieuw-Guinea), Daabon (Colombia) en GAR (Indonesië). In een gezamenlijke verklaring daterend van juni 2013 stellen zij zichzelf voor als innovators. Ze willen verder gaan dan RSPO op drie essentiële terreinen: ecologie (geen nieuwe ontbossing meer, veengebieden ontzien, pesticidegebruik verminderen…), samenwerking met lokale gemeenschappen en ‘integriteit’ (transparantie, traceerbaarheid…). An Lambrechts: “We hopen in de praktijk te kunnen aantonen dat meer ambitieuze standaarden de link tussen palmolie en ontbossing wel degelijk kunnen breken.”

In maart 2013 stuurde Greenpeace alvast een persbericht de wereld in om een proefproject van GAR te verwelkomen. De pilootfase in West-Kalimantan (Indonesië) moet de aanzet worden voor een algemeen bedrijfsbeleid waarbij bos- en veengebieden met hoge koolstofstocks gevrijwaard blijven. Lokale boeren die deze gebieden ontzien worden gecompenseerd. Met de overheid wordt bekeken welke andere gronden wel kunnen worden vrijgegeven.

Een oplossing die daarbij steeds vaker naar voor wordt geschoven is het aanplanten van nieuwe oliepalmen op bodems die reeds lang geleden ontbost zijn. Op basis van onderzoek in Kalimantan toonde een WWF-studie aan dat goede teelt- en oogsttechnieken vaak belangrijker zijn voor de opbrengst dan de bodemkwaliteit. Plantages op gedegradeerde bodems zouden zo economisch rendabel kunnen zijn. In Indonesië maar zeker in Brazilië liggen miljoenen hectare land die in aanmerking zouden kunnen komen.

 

Duurzame palmolie
“Voorlopers die oplossingen zoeken, zijn heel belangrijk”, vat Sabien Leemans de huidige situatie samen. “Maar het is even belangrijk dat kopers van palmolie aangezet worden om de stap te zetten naar RSPO-gecertificeerde olie met een fysiek gescheiden aanvoer (segregated / identity preserved). Momenteel blijft dat de enige optie voor duurzame palmolie.”
Al is er recent wel een nieuwe, voorlopig kleine, speler actief op het terrein van palmoliecertificatie, namelijk de Amerikaanse ngo Rainforest Alliance. Hun standaarden voor duurzame landbouw gaan een eind verder dan RSPO en net zoals voor koffie, cacao en andere gewassen willen zij het aanbod vergroten aan duurzame, volledig traceerbare palmolie. Het Colombiaanse Daabon was in 2012 het eerste bedrijf dat zijn palmolie met een groene kikker mocht tooien.
 
Foto's
1. De vruchten van de oliepalm © World Bank Photo Collection
2. Plantage in Papoea, Indonesië © CIFOR
 
Bronnen