Is eerlijke handel concurrentievervalsend? De Franse "Conseil de la concurrence" (Raad voor de Mededinging)[1] is van oordeel dat eerlijke handel niet per se indruist tegen de mededingingsregels, maar formuleert wel verschillende aanbevelingen om productcertificatiesystemen te ontwikkelen. (Fragmenten uit het persbericht van 26 maart 2006) Het bestaan van minimummarges voor aankoopprijzen leidt, in de huidige stand van zaken, niet tot mededingingsbeperkingen die zouden kunnen worden verboden door het nationaal of Europees recht. Ook al verplicht de eerlijke-handelssector in voorkomend geval de betrokken partijen die er zich op beroepen om geharmoniseerde aankoopvoorwaarden na te leven ten aanzien van de producenten in de ontwikkelingslanden, voor de Raad zijn het doel en de effecten van dergelijke afspraken in de huidige ontwikkelingsfase van eerlijke handel en de organisatie van de sector in de eerste plaats extraterritoriaal en ontsnappen ze dus aan het toepassingsdomein van de Europese en Franse mededingingsregels.
De Raad benadrukt namelijk dat de eerlijke-handelsactoren in de verdere stadia van de economische keten (verwerking en commercialisatie) een zekere gedragsvrijheid behouden, om op die manier de concurrentie niet te schaden en het gamma van de mogelijke verkoopprijzen voor de consument open te laten, ook al was de prijs van de grondstof min of meer dezelfde voor alle actoren.
In dat verband merkt de Raad op dat de prijs van de grondstoffen die aangekocht worden bij de producenten, slechts een relatief klein aandeel heeft bij de bepaling van de prijs van het eindproduct: 20 % van de eindprijs van een pakje koffie, maar minder dan 10 % voor bananen, thee of vruchtensap.
De situatie zou anders kunnen zijn als het aandeel van eerlijke handel aanzienlijk zou stijgen of als de prijsvormingsmechanismen na de aankoop bij de producenten zouden evolueren. In dat geval zou moeten worden nagegaan of er een vrijstelling mogelijk is krachtens het nationaal of Europees recht. De Raad heeft prospectief enkele elementen onderzocht die naar voren zouden kunnen worden geschoven.
Eerlijke handel vertolkt de vaste wil van de consument om de waarden ervan te promoten. Vandaar de nood aan betrouwbare certificatiesystemen.
De Raad heeft vastgesteld dat eerlijke-handelsproducten meestal 5 tot 15 % duurder zijn dan vergelijkbare klassieke producten, maar dat dit prijsverschil de ontwikkeling ervan niet in de weg staat. Dat bewijst dat de consument in de ontwikkelde landen vragende partij is voor zo'n aanpak.
De consument kan echter de daadwerkelijke praktijken van de verschillende actoren die zich beroepen op eerlijke handel niet controleren, en moet daarom over betrouwbare certificatiesystemen kunnen beschikken. Die moeten opgevat zijn als "diensten", om te garanderen dat het product wel degelijk vooraf is geproduceerd en aangekocht bij de producent met respect voor bepaalde sociale en milieuwaarden.
De veelheid aan actoren, distributeurs van fairtradeproducten en certificatiesystemen die gepromoot worden vanuit verschillende gevoeligheden binnen de sector, en het bestaan van sterk gelijkende concepten die de consument soms moeilijk van elkaar kan onderscheiden, waarborgen geen voldoende betrouwbare aanpak. De Raad vindt dat het initiatief van de overheid om de organisatie van de sector te reglementeren, in de eerste plaats door een wetgeving goed te keuren die eerlijke handel definieert en bepaalt dat de instellingen die deelnemen aan de certificatieacties in dit domein, erkend moeten worden door een commissie (artikel 60 van de wet van 2 augustus 2005), beantwoordt aan een legitieme doelstelling.
De Raad beveelt de overheid aan om erop toe te zien dat de certificatiesystemen voor eerlijke handel concurrentieel werken.
De Raad benadrukt wel dat het precies de organisatievoorwaarden zijn voor die certificatieactiviteit die kunnen leiden tot mededingingsbeperkingen, die een veel directere nationale impact hebben dan eventuele afspraken over aankoop bij de producenten.
Dergelijke beperkingen zouden niet alleen kunnen gelden voor de fairtradeorganisaties zelf, als certificatie-instellingen, door de onderlinge concurrentie te verminderen of af te schaffen, terwijl ze vandaag uit eigen beweging verschillende "certificatieproducten" voorstellen, maar ook voor de distributeurs, door hun mogelijkheden te verminderen om producten te verkopen die weliswaar onder de noemer "eerlijke handel" vallen, maar waarvan de commercialisatie een andere aanpak heeft gevolgd.
Zo stelt de Raad dat de commissie, waarvan sprake is in artikel 60 van de wet van 2 augustus 2005, zou moeten werken in een context die de toekenning van loyauteitswaarborgen door de actoren die zich beroepen op eerlijke handel verzoent met de handhaving van voldoende concurrentie. Hij uit in dit verband voorbehoud bij een situatie die zich zou baseren op een overheersend referentiesysteem.
[1] Bericht nr. 06-A-07 van 22 maart 2006 betreffende het onderzoek van de werkingsmodaliteiten van de eerlijke-handelssector in Frankrijk met het oog op de mededingingsregels. |